Spreuken

Welkom wiens lach hel klinkt, welkom wiens mond wel drinkt...

Boven de ene deur in het eerste salon staat de eerder genoemde leuze “VRANK EN VRY”. Bij de andere deur leest men “HOV EN TROV”: Hou en Trou(w), deel van het stadswapen van Gent en vermoedelijk refererend aan Rooses’ vroegere verbintenis met deze stad.

Boven de Reynaertreeks zijn vier spreuken geschilderd op de houten omlijsting:

‘De Vreugd baart jeugd’

‘Waar vrienden zijn, smaakt best de wijn’

‘Welkom wiens lach hel klinkt, welkom wiens mond wel drinkt’

‘Oost west, thuis best’

Ontvangstruimte

Twee van de spreuken wijzen op de ontvangstfunctie van de ruimte. Rooses beschikt door zijn vele lidmaatschappen in commissies, verenigingen en dergelijke meer over een brede vriendenkring en een uitgebreid netwerk. Paul Fredericq noemt de woning niet voor niets een “tempel der vriendschap”.*

Lees meer in de rubriek 'Overige functies en engagementen' en kom meer te weten over dit uitgebreide netwerk in de briefwisseling in het Roosesarchief in het Letterenhuis.

Reizen

‘Oost west, thuis best’ doet onvermijdelijk denken aan Rooses als een der bekendste “Antwerpsche reizigers”, zoals Jozef Staes hem in zijn gelijknamige publicatie uit 1883 typeert. Vanaf het begin van de jaren 1870 tot aan het einde van zijn leven maakt Rooses talrijke reizen in binnen- en buitenland, door heel Europa en zelfs tot in Rusland. Deze reizen staan grotendeels in het teken van zijn kunsthistorisch onderzoek, en in het bijzonder zijn studie van Rubens’ werken. De reizen worden in dat opzicht dan ook gefinancierd door de stad Antwerpen en de Belgische Staat. Zoals Rooses bij zijn hulde in 1912 zelf uit:

“Gij hebt het mij mogelijk gemaakt heel Europa herhaaldelijk te doorloopen, al de werken van den meester te zien en te herzien (...)”.

Zo’n reis varieert van enkele dagen tot enkele weken, en Rooses noteert zijn verplaatsingen en bevindingen zorgvuldig in tientallen zaknotaboekjes die vandaag de dag bewaard worden in de archiefcollecties van het KMSKA.

De boekjes blijven reeds in Rooses’ eigen tijd niet onopgemerkt. In 1914 schrijft Paul Fredericq:

“Vóór iedere schilderij trok hij zijn notaboekje uit zijnen zak en teekende hij met vaste hand en in kleurrijken spontanen stijl zijne indrukken ter plaatse aan, met zijne twee scherpe helderziende oogen op het doek gevestigd, zoodat hij met zijn potlood op de blanke bladzijden van zijn zakboekje als het ware eene reeks fotografieën verzamelde, stipt, frisch, secuur, naar de natuur genomen.”**

Deze 'fotografieën' zijn op twee manieren te interpreteren: Rooses' uitgebreide beschrijvingen van de kunstwerken, af en toe aangevuld met een schetsje. Onderstaande afbeelding toont een van Rooses' meest uitgewerkte schetsen: Van Dycks Heilige Martinus in de gelijknamige kerk in Zaventem. Rooses bezoekt de kerk ca. 1874-1876.

Ook in het archief in het Letterenhuis worden enkele stukken met betrekking tot Rooses' reizen bewaard.

Notitieboekje

Soms heeft Rooses een reisgenoot, zoals zijn schoonvader Karel van Geert, zijn echtgenote, de schilder Karel Ooms en de uitgever Willem Rogghé. Maar ook het thuispubliek kan meegenieten. Rooses’ ontdekkingen en avonturen verschijnen, voornamelijk in briefvorm, in tijdschriften als Nederlandsch Museum, Het Vaderland, De Gids en de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Soms leidt het tot volwaardige publicaties, zoals Over de Alpen (1880), een relaas van zijn reis naar Italië van maart t.e.m. mei 1879, Op reis naar heinde en ver (1889) en Oude en nieuwe kunst (1895-1896). Het is opnieuw Fredericq die in 1914 (zie boven, p. 394) schrijft: “Die reisbrieven, waarin zooveel treffende indrukken over natuurschoon, monumenten, schilderijen en andere kunstwerken ter plaatse als 't ware gefotografeerd zijn, getuigen van Rooses’ verbazende vaardigheid met de pen.” Leon Voet vult aan:

“Hij publiceerde enkele van de beste tot dan toe in de Vlaamse letterkunde gepubliceerde reisverhalen.”***

Bezig bijtje

Rooses is onvermoeibaar. In een brief aan Doka van Rijswijck, de dochter van wijlen zijn goede vriend Jan, schrijft hij in de zomer van 1913:

“Ik denk dat mij dit zal nemen tot Paschen en dan ben ik vrij en geef ik mijn ontslag om te gaan reizen als ik er nog de kracht toe heb. Het is toch niet te voorzien dat ik de eene of andere mijn ga opzoeken of ontginnen om de handen vol te krijgen”****

Rooses is op dat moment 74 jaar oud en nog steeds in dienst bij de stad als conservator van het Museum Plantin-Moretus. De spreuk ‘De vreugd baart jeugd’ lijkt hier niet ongepast. Van stoppen is geen sprake, er is veel te veel te doen en te ontdekken. Uiteindelijk plant Rooses verlof op te nemen vanaf juli 1914, om in het najaar officieel met pensioen te gaan. Twee weken ‘in verlof’, op 14 juli, overlijdt hij.

Spreuken

* Geciteerd in Max Rooses herdacht, in: De Gulden Passer, jg. 16-17, 1939, nr. 2, p. 60.
** ‘In Memoriam Max Rooses’, in: Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift, jg. 24, juli-december 1914, dl. 48, p. 209.
*** ‘Max Rooses’, in: De autotoerist, 17:24, 1964, p. 1158.
**** Marc Somers, ‘De Plantijnstudies van Max Rooses’, in: De Gulden Passer, jg. 66-67, 1988-1989, p. 52.