Plafondcassettes

De vier thema's die in de plafondcassettes geschreven staan kaarten meteen een aantal zeer belangrijke onderwerpen in het professionele leven van Rooses aan.

Letterkunde

Max Rooses start zijn carrière in het onderwijs en het domein van de letterkunde. Terwijl hij zijn doctoraat in de afdeling wijsbegeerte en letteren van de Universiteit van Luik behaalt, is hij al actief als studiemeester en later als leraar moderne talen. Zijn allereerste publicatie (1865) luidt ‘Drijtal Verhandelingen over de Geschiedenis der Letterkunde’.

Rooses waagt zich ook aan eigen literair werk (zie de pagina 'Overige elementen in het derde salon'). Leon Voet concludeert als volgt:

“De leraar in de Nederlandse taal- en letterkunde had zich eveneens een ogenblik op het gladde ijs van de edele dichtkunst gewaagd. Maar Rooses had genoeg zelfkennis om te beseffen dat scheppende literatuur hem minder lag. Hij schakelde over naar het kritisch beoordelen van het werk van anderen, in het verleden en in het heden.”*

Zo schrijft Rooses literatuurkritische artikels en verzorgt hij uitgaven van de werken van Jan Frans Willems en Julius De Geyter. Vanaf 1867 neemt hij meermaals deel aan het Nederlandsche Taal- en Letterkundig Congres.

Schilderkunst & beeldhouwkunst

Daarnaast is er zijn kunsthistorisch werk. Hoewel hij zich hier pas iets later in zijn carrière aan wijdt, zou het wel het vakgebied worden waarop hij nationale en internationale faam verwerft. Dit bewijzen de vele brieven vanuit Europa en Rusland met kunsthistorische adviesvragen, o.a. in het Roosesarchief in het Letterenhuis. Onderstaande afbeelding toont een brief van de Parijse kunsthandelaar Franz Kleinberger aan Rooses, met de vraag om in het museum langs te mogen komen met een werk van Rubens.

Lees meer in de rubriek 'Auteur en kunsthistorisch onderzoeker' in de archiefbeschrijving van het Letterenhuis.

tg_lhbr_292868__15.tif, Collectie Stad Antwerpen, Letterenhuis

Zoals Emmanuel De Bom schrijft:

“Rubens is, naast Plantin, de groote baken in Rooses' leven geweest. In de vijf werelddeelen, bij alle kunstenaars, zal men u, waar van Rubens gesproken wordt, den naam van Max Rooses noemen.” In dezelfde publicatie nam hij ook een transcriptie van een brief van Rooses zelf op, d.d. 1/02/1910, waaruit het belang blijkt dat hij zelf hechtte aan dit werk: “Die werkzaamheden hebben ruim 32 jaar geduurd, zij maken wat mij betreft, na mijne ambstbezigheden in het Museum Plantin-Moretus en na mijne studiën gewijd aan den stichter en zijne opvolgers, het voornaamste deel uit van wat ik als mijne levenstaak beschouwde.”**

De eerste stappen richting de kunstgeschiedenis, zet Max Rooses in het begin van de jaren 1870. Hij maakt dan o.a. een kunstreis en werkt mee aan een eerste tentoonstelling. In 1876 – hetzelfde jaar waarin hij aangesteld wordt als eerste conservator van het Museum Plantin-Moretus – neemt hij deel aan een wedstrijd van de stad Antwerpen voor een studie over de Antwerpse Schilderschool. Vooral 1877 is een beslissend jaar. Het is het 300ste geboortejaar van Rubens en dat gaat in Antwerpen gepaard met Rubensfeesten. Er wordt een tentoonstelling georganiseerd - waarbij Rooses lid is van de algemene tentoonstellingscommissie en van de ‘Commission du Catalogue’ - en in augustus ook een wetenschappelijke congres. Daaruit vloeien drie initiatieven voort, waaronder twee Rubenscommissies:

  • Commissie ter verzameling der werken van P.P. Rubens, in gravuur of photographie (1877-1909).
  • Commissie voor de uitgave der bescheiden rakende Rubens (1879-1910)

Het is duidelijk dat Rooses’ studies naar het werk van Rubens een hoofdrol innemen in zijn kunsthistorische carrière. Hij is lid van beide Rubenscommissies en speelt een cruciale rol in de activiteiten ervan. De fotodocumentatie aangelegd door de ene commissie - vandaag bewaard in het KMSKA - wordt benut in de eerste wetenschappelijke oeuvrecatalogus over Rubens, 'L'oeuvre de P. P. Rubens' (1886-1892) die Rooses samenstelt. De oeuvrecatalogus is dan ook het derde project dat voortvloeit uit het congres van 1877. De werkzaamheden van de tweede commissie leiden dan weer tot de uitgave van de briefwisseling van Rubens 'Correspondance de Rubens' (1887-1909; ook gekend als de 'Codex Diplomaticus Rubenianus', die Rooses samen met de Brusselse bibliothecaris Charles Ruelens publiceert. Het Rubens Bulletijn komt er, onder regie van deze commissie, om tussentijds te berichten over nieuwe ontwikkelingen en ontdekkingen (zoals addenda en corrigenda op de oeuvrecatalogus) in het onderzoek.

In 1903 volgt nog 'Rubens' leven en werken', een overkoepelende beschouwende publicatie. Over Jordaens verschijnt in 1903 een gelijkaardig opgezet boek met de titel 'Jacob Jordaens' leven en werken'.

Vele archiefstukken omtrent Rooses’ kunsthistorisch onderzoek zijn terug te vinden in het Rubenianum en in het Letterenhuis. Stukken m.b.t. de commissies zijn terug te vinden in het Letterenhuis, en een klein deel in het Museum Plantin-Moretus.

De afbeelding hieronder toont een brief van de Duitse kunsthistoricus en museumdirecteur Karl Woermann uit Dresden, mét bijgevoegde foto, in de bundels met briefwisseling die Rooses bijhoudt ter voorbereiding van 'L'oeuvre de P.P. Rubens'.

Documentatie over Rubens (bundel I), tg:rubdoc:4228, Collectie Stad Antwerpen, Rubenianum

Rooses wordt ook beschouwd als de grondlegger van de kunstwetenschappen in België. Marc Somers en Wim van Rooy schrijven:

“(...) zijn boek over Rubens (1903) werd in 1906 bekroond me de vijfjaarlijkse prijs voor historische wetenschappen, wat nog nooit gebeurd was voor een in het Nederlands gesteld werk. Als een van de eersten paste Rooses de moderne methoden op de kunstgeschiedenis toe en verhief haar tot de rang van de wetenschap.”***

Graveerkunst

Ook in de graveerkunst heeft Rooses een bijzondere interesse. In 1880 is hij medeoprichter en jarenlang secretaris van de Vereeniging der Antwerpsche Etsers, waarmee hij ook een lans breekt voor de eigentijdse kunst. Een veertigtal kunstenaars behoren tot de leden en in tien jaargangen verschijnen er uitgaven met grafiek. Rooses heeft ook banden met het Weense Gesellschaft für Vervielfältigende Kunst. Archiefstukken m.b.t. de Antwerpse vereniging waren voorheen verspreid over het archief van Rooses in het Letterenhuis, maar konden tijdens het project herenigd worden. Onderstaande afbeelding is afkomstig uit zijn notitieboekje met verslagen van de zittingen.

Notitieboekje “Vereeniging der Antwerpsche Etsers

Lees meer in de rubriek 'Verenigingen' in de archiefbeschrijving van het Letterenhuis.

Als conservator van het Museum Plantin-Moretus, bouwt hij stelselmatig de collectie prenten en tekeningen uit, met werken van zowel oude als eigentijdse meesters. Rooses schenkt ook zijn persoonlijke verzameling tekeningen en prenten (eveneens oude en eigentijdse meesters) aan het museum (in meerdere stukken van 1905 tot 1913). In de tentoonstelling ‘Max Rooses herdacht’ in de zomer van 1939, de tweede tentoonstelling in het toen pas opgerichte Prentenkabinet, wordt een selectie van deze verzameling tentoongesteld. De collectie – die Ary Delen beschrijft alseen samenvatting van de geheele Antwerpsche kunstgeschiedenis”**** vormt tot op de dag van vandaag een belangrijk onderdeel van het Prentenkabinet. In de jaren 1880 is er al volop sprake van een Stedelijk Prentenkabinet, met een eigen budget. Rooses wordt dan ook bij de officiële oprichting van dit instituut als de ware stichter ervan gezien.

 

* ‘Max Rooses... bij een verjaardag’, in: Antwerpen, tijdschrift der stad Antwerpen, jg. 10, 1964, nr. 2 (juli), p. 76.
** ‘Max Rooses: in memoriam (10 Februari 1839-15 Juli 1914)’, in: Het boek, 4, 1915, p. 189.
*** In: Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging, vol. 3, 1998, p. 2661.
**** Max Rooses herdacht, in: De Gulden Passer, jg. 16-17, 1939, nr. 2, p. 51-52.